12 mei 1940

12 mei 1940

De Duitse bombardementen worden niet met grote nauwkeurigheid uitgevoerd. Geen van de beoogde doelen wordt direct geraakt. De bommen die zijn bedoeld voor het station Delftsche Poort vallen net te vroeg, waardoor ze terechtkomen op de Kruiskade en de Diergaarde. Janus van den Berg is één van de vijf dierenoppassers die nog kon blijven werken. ’s Nachts is hij bij de apen blijven slapen. Op het moment van het bombardement zijn de dieren net gevoerd en hun verblijven schoongemaakt. Met de andere oppassers eet hij zijn boterhammen op de trappen van het apenhuis. Als ze wat later die ochtend vliegtuiggeronk horen, kijken ze omhoog: ‘Ze draaiden over de diergaarde, over het station Delftsche Poort en gingen weg. Maar ze kwamen terug. En toen ineens zag ik het ene na het andere gebouw de lucht in gaan en ik dacht: nee, nou is het niet fris meer. Ik vluchtte de stookkelder van het apenhuis in. Daar waren alleen deuren en ramen eruit gevlogen.’

 

Achttien bommen vallen op de dierentuin. Van den Berg loopt als het weer rustig wordt direct naar het leeuwengebouw. Vooral aan leeuw Tom is hij bijzonder verknocht. ‘Heel de boel was ingestort, de leeuwen en tijgers verbaasd achter de hekken. Ze zaten tot hun nek in het puin. De militaire commandant kwam al snel en overzag de ravage. Om half twaalf gaf hij het bevel: alle roofdieren doodschieten. Hij was bang dat ze bij een nieuw bombardement de stad in zouden vluchten. Alleen leeuw Tom en een tijger met haar twee jongen mochten van hem blijven leven. De militairen staken hun lopen door de tralies en schoten de andere roofdieren dood.’

 

——

Dit is een fragment uit Rotterdam frontstad van Gerard Groeneveld. Kijk hier voor meer informatie over dit boek.

Gerelateerd